1000 jaar H. Nicolaas in Zoetermeer

Door Ton Vermeulen, historicus


Al voor het jaar 1000 vestigden zich vissers en boeren aan de rand van het Zoetermeerse Meer, de huidige Meerpolder. Zij stichtten een kerk die werd vernoemd naar de H.Nicolaas, de patroon van onder meer de vissers. Rond 1200 stond deze bij de hoek van de Broekweg en de Zwaardslootseweg. Later verplaatste de kern van de nederzetting zich meer richting huidige Dorpsstraat en met buurgemeente Zegwaart werd in de 13de eeuw op de huidige plaats van de Oude Kerk een Nicolaaskerk gebouwd. Vanaf rond 1400 was er ook sprake van een Mariakapel in Zegwaart op de kruising van de Dorpsstraat en de Molenweg (Stationsstraat).

De Tachtigjarige Oorlog bracht de nodige veranderingen. Bij het Ontzet van Leiden in 1574 plunderden de geuzen de kerk en de pastorie en droegen deze over aan de gereformeerde (hervormde) gemeente. In de loop der eeuwen werden toren en kerk herbouwd, maar de voet van de toren is nog middeleeuws en in de vloer is nog de grafsteen te zien van priester Floris Korse Grijp uit 1557.

Schuurkerk

In de 17de en 18de eeuw hadden de Nederlanders vrijheid van denken, in die tijd uniek in Europa. Anderen dan de gereformeerden echter mochten in het openbaar niet hun godsdienst belijden. Enkele tientallen priesters reisden rond 1600 illegaal rond om 'de doolende schapen op te zoeken, te troosten en te versterken'. Uiteindelijk werd oogluikend, en tegen betaling van recognitiegelden, toegestaan woningen, schuren en pakhuizen aan de binnenzijde om te bouwen tot zogeheten schuilkerken. Aan de Voorweg werd in 1685 een schuur van de familie Crooneveen omgebouwd tot schuil- of schuurkerk, toen Zoetermeer in Amandus van Nispen weer een eigen pastoor kreeg. In 1768 mocht de schuurkerk officieel worden vergroot, zij het 'met alle modest en zonder eenige de minste ergernisse te geeven'. Daar werd niet helemaal de hand aan gehouden. Er verscheen een luidklok op de schuur, die tot op de dag van vandaag de kerkgangers binnenroept, zij het nu op De Doortocht.

Bij de gelijkstelling van de godsdiensten in 1796 zaten de katholieken in Zoetermeer opgepropt in de schuilkerk aan de Voorweg, in de zogeheten Krom waar nu de Amerikaweg de Voorwegwetering kruist. Al snel wisten ze grond te verwerven in de dorpskern om in 1816 hun eigen echte kerk te bouwen. Deze werd in 1854 tot parochiekerk verheven nadat de bisdommen waren ingesteld, het zogeheten 'herstel van de hiërarchie', en Nederland missiegebied-af was. Helaas toonde het kerkgebouw ernstige gebreken. Het moest in 1857 vervangen worden voor een nieuw gebouw. De helft van de 800 parochianen kon hierin tegelijk een plaats vinden. In 1867 werd de woning van de pastoor vervangen door de huidige pastorie.

Pastoor Van der Salm zat ondertussen op andere fronten ook niet stil. Hij wilde katholiek onderwijs, maar overheidsteun zat er niet in. Hij vond de oplossing in de zusters franciscanessen van Oudenbosch die een kweekschool hadden. Eind 1859 reisden de eerste drie zusters over land en water naar dat verre dorp en betrokken het net gekochte huis tegenover de kerk voor onderwijs aan meisjes en kleuters. Een jongensschool werd pas opgericht toen de overheid een kleine subsidie van bijzonder onderwijs mogelijk maakte. In 1891 begon daarvoor het werk aan de Dorpsstraat 14. Vele malen werden de scholen uitgebreid maar jongens en meisjes kregen tot het midden van de jaren 1960 gescheiden onderwijs.

Groei in aantal en vereniging

De parochie groeide gestaag, doch de kerk telde slechts 400 plaatsen. De slopershamer zwaaide weer en onder leiding van architect Jan Stuyt en de regelmatig op de steigers klimmende pastoor Turnhout verrees in 1915 in negen maanden tijd een grote kerk met 856 plaatsen. Bijna tien jaar werd er vervolgens gewerkt aan de verfraaiing van de Nicolaaskerk. In 1933 telde de Nicolaasparochie 1130 gelovigen. Niet alleen het aantal katholieken steeg, ook de organisatiegraad in verenigingen. Eerst waren dat puur godsdienstige verenigingen als die van het Liefdewerk van den Goeden Herder, "ten doel hebbende personen van het vrouwelijk geslacht, die tot een ontuchtig leven vervallen zijn, tot een braaf christelijk leven terug te brengen en haar daarbij te houden." Ook de H. Kindsheid stamde uit de 19de eeuw, "ten doel hebbende het doopen en vrijkoopen van de ongeloovige kinderen in Sina (China, red.) en andere afgodische landen." In de 20ste eeuw kwamen daar organisaties bij die het hele maatschappelijke bestel omvatten. Zo werden katholieke organisaties opgericht voor de landbouwers, arbeiders en middenstanders, in de jaren 1930 ook een Begrafenisvereniging en een voetbalclub.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog moesten de meeste verenigingen worden opgeheven, met uitzondering van de puur religieuze. Wel ontstond een organisatie onder kapelaan Wüst die pakketten en brieven stuurde naar mannen die verplicht in Duitsland moesten werken. Bovendien werd voedsel opgehaald en naar de steden gestuurd; tachtig kinderen uit de Haagse Jeroenparochie werden door parochianen in huis opgenomen. Vanaf 1945 werd vanuit het bisschoppencollege het katholieke verenigingsleven krachtig gestimuleerd en de pastoor en kapelaan werkten daar stevig aan mee. Verkenners, gidsen, een gymnastiekvereniging, het Wit-Gele Kruis en een schaakclub zijn enkele voorbeelden van nieuwe activiteiten. De oorlog had echter de mensen veranderd. Ze waren over de grenzen van hun eigen zuil gaan kijken, hadden met andersdenkenden samengewerkt en lieten zich niet zo maar terugstoppen in vakjes. De radio en later de televisie brachten de wereld buiten de directe omgeving in de huiskamer. Van de ontluikende welvaart wilden mensen gaan genieten. De ontkerkelijking nam toe, vooral in de steden.

De katholieke zuil na de Tweede Wereldoorlog

In Zoetermeer ging dat allemaal nog niet zo hard. Maar ook hier waren geluiden te horen dat geloof, kerkgang en actieve betrokkenheid niet meer zo vanzelfsprekend waren. Pastoor Voorham klaagde in 1948 dat de predicatiën 'tot levensvernieuwing' bij het jaarlijkse veertigurengebed 's ochtends en 's avonds wel goed bezocht werden, maar hij was niet tevreden over de belangstelling. "De bezettingsjaren hebben op 't geestelijk-godsdienstig leven veel nadeeligen invloed gehad", zo schreef hij. Ook de belangstelling voor een tentoonstelling over de beleving van het christendom in de huisgezinnen "had grooter kunnen zijn."

In het rapport van het Instituut Stad en Landschap van Zuid-Holland uit 1958, dat regelmatig adviezen gaf aan gemeenten over hun ontwikkeling, werd ook het kerkelijke leven onder de loep genomen. Van de bijna 6200 inwoners was 37% katholiek, onderverdeeld in ca. 15% boeren en twee keer 40% arbeiders en 'employé's en middenstanders'. Vooral het aantal boeren was de laatste tijd gedaald en het instituut constateerde dat de arbeiders de belangrijkste factor in de kerk gingen vormen, "maar nog niet harmonisch in het katholieke sociale leven zijn geïntegreerd. De katholieke jeugdbeweging bijvoorbeeld heeft nog niet een vorm kunnen vinden waarin de arbeidersjeugd een plaats heeft. In de plaatselijke katholieke politiek zijn eerst de laatste jaren de katholieke arbeiders, na enige organisatorische wrijving met de landbouwers, goed vertegenwoordigd. De katholieke boeren gaan thans zelf inzien, dat de groeperingen politiek hun plaats zullen dienen te vinden. Daar onder de katholieke arbeidersgroep, vooral onder de jongeren, het meer ontwikkelde kaderpersoneel slechts zeer schaars voorkomt, is het moeilijk om leiding voor het verenigingsleven te recruteren. Er zijn thans plannen in katholiek verband om vormingscursussen voor werkende jongens en meisjes te organiseren."

De scholing was een probleem. Met name bij katholieken volgden de jongens en meisjes nauwelijks middelbaar onderwijs, ook omdat er in Zoetermeer geen katholieke vervolgschool was. In 1958 kwam daar verandering in door de oprichting van een Mater Amabilisschool (Beminnelijke Moeder), ofwel huishoudschool. Wel 58 leerlingen schreven zich in, slechts met 10 kon begonnen worden. En de 18-jarigen kregen in acht groepen – meisjes en jongens gescheiden – een nieuwe vormingscursus. Vier jaar later startte de katholieke ULO, eerst in de oude jongensschool, later in de Petrus-MULO/MAVO aan de Paltelaan.

Vernieuwingen

Rond 1960 begon de vernieuwing in de liturgie. De gelovigen moesten sterker participeren. In 1956 was dat al tijdens de plechtigheden in de Goede Week voor Pasen. Onder invloed van het Tweede Vaticaans Concilie werd het Latijn ingeruild voor de eigen landstaal en stond de priester voortaan tijdens de gehele H. Mis met zijn gezicht naar het kerkvolk. Juist in deze periode was de preekstoel en het altaar aan vernieuwing toe. De pastoor vertaalde dit alles in een rigoureuze verbouwing die veel parochianen schokte: de schilderingen rondom het altaar werden weggehaald of verdwenen onder een nieuwe laag verf, beelden verdwenen letterlijk in de Grote Dobbe. Ook de positie van de pastoor veranderde. De parochianen werden mondiger en actiever bij het beleid betrokken, al bleef de pastoor kerkrechtelijk wel de uiteindelijk verantwoordelijke persoon. In 1967 mocht iedereen vanaf 17 jaar stemmen voor de nieuwe parochieraad, die ging adviseren op pastoraal gebied. De pastoor en kapelaans formeerden zich tot een pastoraal team om de groei van de parochie in een zich tot stad uitgroeiend Zoetermeer gezamenlijk aan te pakken.

Veel parochianen zagen hun vertrouwde gebruiken verdwijnen: de H. Mis was heel anders dan vroeger, de kerk zag er niet meer hetzelfde uit, de priester stond niet meer vanzelfsprekend op een voetstuk. Een deel vond het prachtig, een aantal haakte af. 1970 was voor veel parochianen een zichtbaar keerpunt in de parochie. Kapelaan J. van Haaster verruilde het priesterambt voor een baan bij het jeugdwerk en kort na zijn 25-jarig priesterjubileum kondigde pastoor Van Zon aan dat hij ging trouwen. Eind jaren 1960 werd nog gedacht dat in elke wijk een kerk zou moeten verrijzen, zo mogelijk in samenwerking met de andere kerkgenootschappen. De ontkerkelijking bleek echter zo snel te gaan dat deze plannen snel in de ijskast verdwenen. In 1974 verrees De Doortocht in het weiland van De Leyens, rond 1990 werden de Tabor, Genesareth en De Wijngaard gebouwd. In de laatste ging ook de Gereformeerde Kerk diensten houden tot de vorming van de PKN.

Gemeenschap in de 21ste eeuw

De parochie groeide tot 30.000 parochianen, en hield dat aantal op papier tot in de 21ste eeuw. Het aantal kerkgangers per weekend daalde heel langzaam tot ruim 1800 in 2000. De geloofsbeleving werd steeds individueler, al blijft samenkomen voor velen belangrijk. De parochie telt niet voor niets een zevenhonderd vrijwilligers waarvan de helft in negentien koren. In de nieuwe wijk Oosterheem zal geen nieuwe kerk worden gebouwd; daar kunnen zich in deze eeuw nieuwe vormen van gemeenschap ontwikkelen. In tegenstelling tot de activiteiten in de schuurkerk gedurende de 17de en 18de eeuw zal dat in alle openheid plaats mogen vinden.

nicolaasstempel-blur_transparant-traced-web.png

Meer informatie


De volgende uitgaven zijn gemaakt door leden van het Historisch Genootschap Oud Soetermeer en zijn te leen bij de Zoetermeerse bibliotheken. Zij bieden meer informatie over de ontwikkeling van het katholicisme in Zoetermeer. 

  • Een klassiek juweel, de Oude Kerk in Zoetermeer (2002)
  • De kerk van Crooneveen, archeologisch en historisch onderzoek naar de Zoetermeerse schuurkerk (2002)
  • Verzuild Verenigd, kerkelijk verenigingsleven in Zoetermeer 1870-1970 (2005)

 Zie ook www.oudsoetermeer.nl.